woensdag 27 oktober 2010

feedback van Milou van Bruggen op mijn blog

Feedback op logboek Saskia de Jong

Voor deze cursus moeten we twee maal feedback geven op het logboek van een mede student. Het tweede logboek dat ik van feedback ga voorzien is die van Saskia de Jong. (http://w1dejong.blogspot.com/).
Allereerst valt op dat de vorm van je blog heel neutraal is, zwarte tekst op een witte achtergrond. Dit geeft rust en je berichten zijn goed te lezen, je wordt niet door gekke achtergronden afgeleid. Als ik je blog doorkijk mis ik de nieuwsberichten, maar misschien plaats je die niet op je blog en heb je ze wel gezocht. Het is misschien toch handig om deze op je blog te plaatsen indien je ze hebt.

Taalgebruik en spelling
 Je gebruikt voor je blog een goed taalgebruik. Het is makkelijk leesbaar en toch redelijk academisch geschreven, je hebt een goed evenwicht hierin gevonden. Als ik je berichten bekijk op spelling is er niets op aan te merken. Ik heb heel weinig spelfouten of slordigheden ontdekt, mijn complimenten hiervoor.

Inhoud
Allereerst is het een goed punt dat je bij je berichten waar nodig correct bronnen vermeldt. Wat ik bij sommige berichten op je blog wel mis is een korte inleiding, de lezer valt hierdoor midden in een verhaal. Schrijf je een inleiding dan weet iedereen die op jou blog kijkt waar je over het over gaat hebben en waarom. Bij je bericht ‘Verslag week 1 over auteursrecht/ piracy’ geef je wel weer een inleiding. Het hoeft maar heel kort te zijn zo’n inleiding. Bijvoorbeeld bij de post over de film ’12 angry men’ heb je geschreven: “Afgelopen donderdag hebben we de film 'Twelve angry men' gezien.” Dit is goed, maar duidelijk is als je er ook achter zet dat je één personage uit de film moest kiezen en deze zal gaan beschrijven. Bij het stuk over het mini-debat miste ik ook de inleiding, je kunt hierbij bijvoorbeeld heel kort vertellen dat je een mini debat hebt bijgewoond en er een reflectie op gaat schrijven.
Ik zal hieronder specifieker op twee berichten ingaan die je hebt geplaatst op je blog.

Gastcollege 2: Games en onderwijs (woensdag 6 oktober)
Je hebt het hier over een gastspreker die werkzaam is bij STT en je praat over ‘hij’, misschien is het handig om zijn naam te noemen (Jacco van Uden). Je brengt het gastcollege en het artikel goed met elkaar in verband, de overgang tussen het artikel en het gastcollege maak je heel vloeiend. Je gaat niet van de hak op de tak. Een goed punt vind ik ook dat je je eigen mening verwerkt in het bericht. Om de overzichtelijkheid te bevorderen is het misschien handig als je de tekst in alinea’s opdeelt.  
Verder is het heel duidelijk dat je nummers plaatst achter bepaalde stukken tekst waar je naar een bron verwijst. Een klein punt is verder dat Herz een vrouw is en geen man, zoals jij impliceert in je bericht, je spreekt namelijk over ‘hem’ in plaats van ‘haar’. En deze zin loopt niet helemaal lekker: “Ik meen dat de motivatie van studenten is hierbij verkeerd wordt gestuurd, …”

Reflectie debat journalistiek en nieuwe media (woensdag 20 oktober)
Het bericht is duidelijk geschreven en gestructureerd. Je hebt een aantal voor- en tegenargumenten op een rij gezet, maar niet alle argumenten genoemd wat ik een goed punt vind, anders wordt het veel te langdradig. Het is genoeg als je de hoofdargumenten van het debat noemt.  Je hebt een goede reflectie op het debat gegeven, maar wat ik miste is dat je niet inging op de houding/ spreekvaardigheid en overtuigingskracht van de debaters (dit doe je wel in de reflectie op het debat over games en onderwijs). En je had eventueel nog iets kunnen melden over hoe Ludwine (de voorzitter) haar rol in het debat vervulde; wat was positief en wat negatief?
Kleine slordigheden in dit stuk:
“Dit komt denkik omdat…” tussen denkik moet een spatie.
“…een duidelijke winnaar aan te weizen.” Het is natuurlijk: wijzen.

Ik hoop dat je wat aan de feedback hebt, succes verder! 
Milou

woensdag 20 oktober 2010

Reflectie debat Journalistiek en nieuwe media


De stelling van het derde debat luidde: “Journalistiek als professionele beroepsgroep moet veranderen naar een open praktijk”.
De voorzitter van deze week was Ludwine, de voorstanders waren Michelle en René en de tegenstanders waren Mariana, Roos en Max.

De eerste ronde:
Enkele argumenten voor deze stelling waren:
-       Er hoeft geen tijd te worden besteed aan de afbakening tussen journalistiek en burger journalistiek
-       We zijn al op weg naar een open praktijk en deze kan gewoon niet tegengehouden worden
-       We kunnen onze tijd beter gebruiken aan het in goede banen brengen van deze ontwikkeling dan ons er tegen te verzetten.

Enkele argumenten tegen deze stelling waren:
-       Burgerjournalistiek is nooit echt betrouwbaar
-       Burgerjournalistiek kan nooit voldoen aan de richtlijnen van journalisten door bijvoorbeeld gebrek aan netwerken.
-       Deze ontwikkeling zal zich vooral op internet uitten en niet iedereen heeft hier toegang tot.
-       Mensen krijgen een overdosis aan informatie.

Hierna konden beide partijen op elkaar ingaan. Het debat bleef al snel haken op de definitie van een open praktijk. Want op de manier waarop de voorstanders het zagen hebben we in feite al een open praktijk. Volgens mij was de definitie van de tegenpartij dan ook beter want die ging er vanuit dat de burgerjournalistiek dus gelijk werd aan professionele journalistiek, terwijl de voorstanders het meer als een aanvulling zagen. Deze splitsing maakte de rest van het debat heel lastig te beoordelen op objectiviteit omdat ze allebei een andere richting op wilden met de betekenis van de stelling.
Naderhand werd het publiek ook nog in het debat gemengd wat zorgde voor nieuwe inzichten en argumenten. Het leek op een bepaald moment wel alsof het publiek betere inzichten had over de stelling dan de debaters zelf. Dit komt denk ik omdat deze zo erg in het debat zaten en vastliepen op de stelling dat ze niet meer het overzicht hadden van wat de stelling nu precies inhield. Het publiek vulde de stelling ook weer op een andere manier in waardoor dit er voor zorgde dat er nieuwe inzichten aan bod kwamen.

Er werden een aantal bronnen gebruikt in het debat, maar niet genoeg om een duidelijke winnaar aan te wijzen. Bij veel argumenten miste de warrant. Er werd veel geclaimd, maar er werd relatief weinig bewezen. Ik vond dat voorstanders wel iets overtuigender overkwamen, maar dit kwam vooral door de lichaamstaal en niet door wat er nu precies werd verteld. De argumenten van de tegenstanders (en vooral die van Roos) vond ik het beste, maar deze werden niet altijd heel overtuigend gebracht. 

Gastcollege 3: Journalistiek en nieuwe media

Het derde gastcollege werd verzorgd door Bert Brussen. Hij is freelance journalist en heeft gewerkt voor geenstijl.nl. Daarbij heeft hij geen journalistieke opleiding genoten, maar is dus wel (freelance) journalist van beroep. Hiernaast hebben we ook een artikel moeten lezen van Mark Deuze ‘ The web and its journalisms:considering the consequences of different types of newsmedia online’.
Zowel Deuze als Brussen hebben het over het eerste stadium van online journalistiek die tot een eind is gekomen (Deuze,204). Steeds meer mensen gaan het internet gebruiken als ‘uitlaatklep’ voor het nieuws. Hieruit volgt dat er nieuwe gedragingen, vaardigheden en bekwaamheden zijn ontwikkeld en nog in ontwikkeling zijn voor journalisten. In deze reflectie wil ik me richten op deze ontwikkelingen en daarbij de betrouwbaarheid van dit soort journalistiek.
Zoals Brussen zei is met de komst van online journalistiek het begrip journalist zoals we het altijd hebben gekend veel groter geworden. Niet alleen mensen met een journalistieke opleiding en/of baan kunnen journalist zijn, ook mensen die deze achtergrond niet hebben kunnen online nieuwsberichten posten. Zo ontstaan er steeds meer nieuwe platforms waar burgerjournalisten hun nieuws kunnen plaatsen en lezen1. Het gaat er hierbij om dat de mensen zelf bepalen wat er op de site komt en dat er niet een redacteur is die uitmaakt wat er wel en niet online komt te staan. Voor veel mensen is dit een zeer positieve ontwikkeling.
Uit een Vlaams onderzoek blijkt daarentegen dat beroepsjournalisten vrezen voor sensatiezucht en commercialisering van berichten. 52.9 procent van de journalisten die zijn ondervraagt in dit onderzoek zijn van mening dat de opkomende burgerjournalistiek de beroepsjournalistiek schaadt. Ook komt naar voren dat beroepsjournalisten zich ergeren aan de verschillende regels die gelden tussen hen en de burgerjournalistiek. Een groot probleem met de burgerjournalistiek is namelijk dat er geen rechten en plichten geldt voor deze groep, terwijl de beroepsjournalisten zich hier wel aan moeten houden. Daarnaast vermeld het onderzoek dat artikelen vaak niet helemaal objectief zijn, doordat verhalen worden geschreven zodat ze beter bij de adverteerders aansluit2. Hierbij wil ik teruggrijpen op de betrouwbaarheid van burgerjournalistiek. NRC-journalist Dick van Eijk schreef het betoog ‘ Journalistiek is wel een echt vak’. Hierin stelt hij dat burgerjournalistiek “het digitale equivalent van een conversatie aan de dorpspomp” is. “Waarnemingen, opinies, roddels en feiten gaan naadloos in elkaar over.” Wat hij hier naar voren probeert te brengen is dus dat burgerjournalistiek en beroepsjournalistiek eigenlijk een ander genre zijn. Waar beroepsjournalisten zoeken naar waarheidsgetrouwe gegevens, zoeken burgerjournalisten naar het maken van een ‘leuk verhaal’.3
Naast deze ,minder positieve, opvattingen over burgerjournalistiek zijn er ook veel positieve geluiden te horen. Door de komst van de burgerjournalistiek is het natuurlijk ook zo dat er veel vaker iemand ter plaatse is bij een gebeurtenis. Wanneer er bijvoorbeeld een zwaar ongeluk is gebeurd op de snelweg hebben omstanders al meteen de mogelijkheid om een foto te maken van de gebeurtenis, terwijl de beroepsjournalisten nog onderweg zijn naar de locatie. Daarbij hebben ze het ongeluk van dichtbij meegemaakt en zijn dus zelf getuigen. Hierdoor kunnen ze zelf een nieuwsbericht schrijven en zelfs fotomateriaal aan het bericht toevoegen. Het internet zorgt er dus ook voor dat mensen snel berichten kunnen plaatsen, en deze kunnen meteen gelezen worden. Er zijn nog eindeloze mogelijkheden om het internet en zoals Brussen zei: “Het is een nog onontgonnen gebied”. Het is een podium dat veel groter is dan waar we ons op dit moment nog bewust van zijn. Ook meldt Deuze dat de beroepsjournalisten dagelijks het internet gebruiken voor hun werk (206).
Een andere interessante ontwikkeling zien we bij de traditionele media. Deze proberen in te spelen op het fenomeen burgerjournalistiek. Zo plaatsen kranten bijvoorbeeld ook amateurfoto’s. Burgers zijn dus niet langer alleen nog passief, ze nemen ook een actieve rol in bij de productie van nieuws. De nieuwe media heeft dus niet alleen gezorgd voor een verandering in het eigen domein, maar ook voor veranderingen in de traditionele media4.
Deuze stelt dat er vier verschillende soorten online journalistiek bestaan. Deze hebben verschillende doelen en verschillende vormen van participatie en worden in meerdere of mindere maten gecheckt. Allereerst is er de Mainstream news sites waarbij het vooral gaat om de content van de verhalen en de juistheid hiervan. Daarna komt de Index and category sites waarbij de content en juistheid hiervan een iets minder belangrijke rol spelen. Vervolgens de Meta and comment sites die al meer op het participerende publiek is gericht en de link met het publiek. Als laatste vorm is er de Share and discusssion sites die het meest gericht zijn op de participatie en uitingen van het publiek (205).
Concluderend zijn er dus verschillende waarderingen van burgerjournalistiek. De beroepsjournalisten zien het vaak vooral als een mindere vorm van beroepsjournalistiek en zelfs een bedreiging door de verschillende maatstaven die worden gebruikt. Aan de andere kant brengen burgerjournalisten een nieuwe manier van journalistiek met zich mee die ook een positieve werking heeft op verslaggeving. De indeling van de verschillende ‘journalisms’ die Deuze maakt biedt hier wellicht een uitkomst omdat burgerjournalistiek en beroepsjournalistiek een andere vorm zijn van journalistiek en dus ook om een andere manier van schrijven/participeren vraagt.

1 A. Pleijter “Wij bepalen niet wat mensen publiceren” 30-03-2010 http://www.toekomstvandejournalistiek.nl/2010/03/happenex-wij-bepalen-niet-wat-mensen-publiceren/, geraadpleegd 19-10-2010
2 Anoniem, ‘Wantrouwen tegenover burgerjournalistiek’ 8-07-2010, http://www.villamedia.nl/nieuws/bericht/wantrouwen-tegenover-burgerjournalistiek/48486/, geraadpleegd 19-10-2010
3 D. Van Eijk, ‘Journalistiek is wel een echt vak’ 5-07-2006, http://www.nrc.nl/binnenland/article1699424.ece/Journalistiek_is_wel_een_echt_vak_, geraadpleegd 19-10-2010
4 Anoniem, ‘Burgerjournalistiek’, http://www.fleetproject.be/nl/trends/kwaliteit/buzzwords/burgerjournalistiek/, geraadpleegd 20-10-2010

Reflectie debat Games en onderwijs:

De stelling van het tweede debat luidde: “Serious gaming moet binnen 5 jaar een fundamenteel onderdeel zijn van het basisonderwijs vanaf groep 3’.
De voorstanders van deze stelling waren Eric en Eline, de tegenstanders waren Bram en Rick en de voorzitter was Thomas.

De eerste ronde:

Argumenten van de voorstanders waren onder andere:
-       leerlingen raken meer gemotiveerd
-       er kunnen effectievere lesmethodes komen
-       er kan meer op het individu worden gericht
-       het is goedkoop
-       en het is een mooie aanvulling op de huidige lesmethode

Argumenten van de tegenstanders waren onder andere:
-       het is te duur, kijk naar de bezuinigingen van het kabinet
-       TNO, makers van games hebben niet genoeg expertise om dit idee te verwezenlijken.
-       De game markt richt zich niet op leerstof, maar meer op entertainment.

In de tweede ronde mochten de voorstanders eerst op de argumenten van de tegenstanders ingaan en daarna mochten de tegenstanders op de voorstanders reageren. Er werden veel bronnen aangehaald, maar deze werden soms niet goed ingeleid en ook lagen de bronnen niet altijd gelijk bij de hand waardoor het een beetje slordig overkwam. Maar afgezien hiervan werden er veel goede bronnen gebruikt die de argumenten sterker maakten.

Wel werden er hier en daar vooroordelen gemaakt die de argumentatie soms wat afzwakte. Een voorbeeld hiervan is een bron over een Amerikaans onderzoek die ging over de game industrie en de impact hiervan. Deze bron werd toegepast op de Nederlandse samenleving, maar dit kan je natuurlijk niet zomaar klakkeloos aannemen omdat dit twee hele verschillende samenlevingen zijn.
De presentatie van het debat was redelijk goed, alleen door de indeling van het lokaal kan je niet de ideale opstelling maken waardoor in dit geval sommige mensen achter de voorzitter zaten en hierdoor niet alles even goed konden volgen.

Wat betreft de stelling kwam er hoe verder we in het debat kwamen meer onduidelijkheid over. De definitie van fundamenteel bleek voor beide partijen niet helemaal hetzelfde te zijn. De ene kant vond een aanvulling al fundamenteel en de andere kant vond een aanvulling niet fundamenteel. Dit zorgde er dus voor dat het wat lastig te volgen werd want het gebruiken van twee vormen van een definitie van een woord zorgt voor onduidelijkheid onder zowel de debaters als het publiek.

De lichaamstaal van alle kandidaten was wel heel goed. Er was een groot verschil tussen Eric en Bram, (Eric was heel rustig en Bram juist heel aanwezig) maar allebei kwamen ze heel sterk over. Eline en Rick waren meer neutraal wat betreft hun huiding, en waren ook gewoon goed te volgen. 

reflectie blog http://w1nvankalker.blogspot.com

Reflectie op het eerste werkcollege is goed verwoord. Maar er worden ook een paar ongegronde aannames gemaakt waardoor het minder objectief overkomt. Er staat bijvoorbeeld dat het een matig debat is wat deels te wijten valt aan de slechte voorbereiding van de kandidaten, maar dat kan je helemaal niet weten.

Het één-op-één debat is een kort maar krachtig stuk waarin goed de claim, evidence etc worden genoemd. Het is dus duidelijk hoe het argument is opgebouwd. Ook geeft ze zelf aan dat ondanks de opbouw van het argument het toch een beetje oppervlakkig bleef. Ook werd er maar een claim gemaakt en dat is natuurlijk een beetje weinig.

Bij het stukje over het hoorcollege van Tim Kuik is het in het begin echt meer een samenvatting dan een reflectie. Ook worden de tekst en het hoorcollege niet echt direct gekoppeld, maar worden ze beiden apart genoemd. Het is jammer dat de link tussen deze twee niet wordt gelegd. Ook worden er veel retorische vragen gesteld waar vaak geen antwoord op wordt gegeven. In het vervolg zou ik wat kritischer kijken naar de inhoud van de tekst en het hoorcollege, want dit lijkt wel heel veel op een samenvatting.

De analyse van 12 angry men vind ik heel netjes. Er worden duidelijke voorbeelden gegeven van de lichaamstaal van jurylid nummer 9.

Het stukje over de ground rules voor een goed debat begint met een aanname dat de beste vorm van debatteren te zien is in de tweede kamer. Maar volgens mij gaan daar ook heel vaak dingen mis, ik zou voorzichtig zijn met dit soort uitspraken. Alleen als je hier een bron voor hebt kun je dit stellen, maar ik zie nergens een bronvermelding in dit stukje. Voor mij is dit dus een aanname die het stuk afzwakt.

Het debat voor het eerste werkcollege is erg oppervlakkig in de argumentatie en er worden ook geen bronnen gegeven. Maar dat was pas in het eerste college en bij later stukken zie ik wel dat je bronnen hebt gebruikt.

Al met al vind ik je blog lekker weg lezen, alleen moet je wel echt oppassen met het vermelden van bronnen en met je aannames over zaken. Daarnaast is de reflectie op het eerste hoorcollege en de tekst volgens mij te veel een samenvatting en zou je in het vervolg iets kritischer kunnen zijn. De opbouw van je stukjes zijn verder wel goed.

woensdag 6 oktober 2010

Gastcollege 2: Games en Onderwijs

De tweede gastspreker van deze cursus is werkzaam bij STT, stichting toekomstbeeld der technologie. Dit is een onafhankelijke stichting met als doel inspirerende toekomstvisies met impact verder uit te werken. In het gastcollege richtte hij zich op Serious Games, waarbij de impact van de game op de samenleving een graadmeting is voor de vraag wat een Serious Game nu precies is. Ook meent hij dat games in het onderwijs het meest voor de hand liggende gebied is voor de uitbreiding van Serious Games. Ook in het artikel van Herz ‘Gaming the system’ wordt gesteld dat games en netwerken op de computer grote voordelen biedt voor het onderwijs. In het gastcollege kwam naar voren dat games in het onderwijs zullen aansluiten bij de leefwereld van kinderen, ze spelen immers zelf thuis ook veel computer spelletjes. De omschakeling van school en vrije tijd wordt dus steeds vager waardoor kinderen steeds in dezelfde toestand verkeren. Doordat ze steeds in dezelfde toestand verkeren is de kans groter dat er verslaving optreed.1 Dit stelt Jeroen Jansz, onderzoeker aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam. Door dit risico op verslaving wordt er dus een gedragsprobleem gecreëerd bij de (jonge) studenten. Wel zegt Jansz dat hier maar een kleine groep vatbaar voor is.
Ook werden in het hoorcollege en in het artikel gesteld dat gaming steeds socialer wordt. Herz meent dat de huidige verdeling die bestaat in een klas kan worden veranderd door het spelen van games en netwerken. De betweters in de klas zullen bijvoorbeeld een andere rol krijgen wanneer bepaalde games een prominente rol zullen gaan spelen in het onderwijs. Hierdoor ontstaat volgens Hertz een nieuw soort hiërarchie in een klas waarbij mensen veel meer aan elkaar gewaagd zijn.
Herz heeft het niet over de nieuwe samenstelling van de klas, maar door het handhaven van een nieuw systeem komt er ook altijd een nieuwe hiërarchie in de klas. Door het spelen van games en het participeren op netwerksites ontstaan er juist nieuwe problemen. We zien al heel veel pesterijen via games en netwerken, en juist als je achter een computer zit is het makkelijker voor sommige mensen om anderen aan te spreken en te pesten dan in ‘real life’.2Ook stelt Herz dat het verder komen in een game meer stimuleert dan het halen van een hoog cijfer. Het zou volgens haar voor een student beter zijn om de informatie die hij of zij tot zich krijgt toe te passen in een game, dan bijvoorbeeld het maken van rekensommen in een schrift. In de game mag je naar een volgend level als je voldoende over de stof beschikt. Dit zou een grote stimulans zijn voor  studenten om de kennis tot zich te nemen.     
        Ook zegt Herz dat een online leerplek de studenten moeten leren om actief mee te doen in het creëren van ervaringen.3 Ze moeten niet alleen de stof tot zich nemen, maar ook actief gebruik maken van de stof. Het is hierbij belangrijk dat dit systeem hierbij mee werkt en het werk van studenten erkent. Dit komt tot stand wanneer anderen bijvoorbeeld de content die door de student is geplaatst te downloaden. Hierdoor ziet de student dat anderen geïnteresseerd zijn in de geplaatste content, dit zou een brandstof zijn voor de participatie van een student en zet kennis om in sociaal kapitaal.
Maar naast de voordelen van dit systeem kleven er ook nadelen aan. Een student kan een tamelijk slecht stuk posten op de site en deze kan toch door velen gedownload worden en hoog gewaardeerd worden door zijn medestudenten. Medestudenten kunnen het bijvoorbeeld een heel grappig stuk vinden, terwijl de content van het stuk verder niet aansluit bij de lesstof. Ook de rol van de leraar is hier discutabel. Het systeem ziet er in eerste instantie goed uit, studenten onderling geven aan of ze iets waarderen door middel van downloaden en berichten te posten, maar de leraar komt hierbij op de tweede plek. De leerlingen beoordelen elkaar en het is bekend dat leerlingen meer invloed hebben op elkaar, dan ouderen op leerlingen.4
Kortom, games in het onderwijs hebben wel degelijk voordelen, maar er kleven ook een hoop nadelen aan en er zijn gaten in het systeem. Daarbij loopt Herz  wel heel hard van stapel. STT is meer ‘gereserveerd’ over het gebruik van games in het onderwijs. Ze benadrukken wel dat het belangrijk is, maar geven ook aan dat er nog veel onderzoek naar moet worden gedaan.


1 Anoniem, ‘Games in het onderwijs nuttig of verslavend?’, docentvo.kennisnet, http://docentvo.kennisnet.nl/880/zorgen-games-in-het-onderwijs-voor-verslaving, geraadpleegd 3-10-2010
2 Anoniem, ‘Digitaal pesten’, online.nl,  http://www.online.nl/webwijzer/veilig-internetten/article/digitaal-pesten/, geraadpleegd 5-10-2010
3 J.C. Herz, ‘Gaming the system. What Higher Education Can Learn from Mulitplayer Online Worlds’ 
4 Anoniem, ‘Medisch Webboek 1.4, http://www.medischwebboek.nl/category/levensloop-van-de-mens/1-4-schoolgaand-kind/ ,geraadpleegd 5-11-2010

Individueel debatverslag met eigen mening & conclusie

Ik was onderdeel van het eerste debat van deze cursus die moest gaan over auteursrecht/piracy. Naar aanleiding van het gastcollege van Tim Kuik en het artikel: Confessions of an Intellectual (Property): Danger Mouse, Mickey Mouse, Sonny Bono, and My Long and Winding Path as a Copyright Activist-Academic' van Kembrew McLeod, zijn we tot een stelling gekomen voor ons debat. Onze stelling luidde: 'Niet-commercieël gebruik van auteursrechtelijke content moet worden toegestaan.'
Ik was samen met Thomas tegen deze stelling, en Ryanne en Cynthia waren voor deze stelling. Sandra was de voorzitter en Milou was de presentator van het debat. Het format van het debat mochten we zelf bepalen waardoor wij zelf hebben gekozen voor een open debat. Cynthia begon met een argument voor de stelling waarna Thomas argumenten tegen de stelling poneerde. Hierna lag het debat open zodat we op elkaars argumenten konden reageren.

Enkele argumenten van de voorstanders waren:
- Het stimuleert de creativiteit bij makers
- Je profiteert niet van de echte maker van het werk
- Deze manier van gebruik is onschuldig, het is beter controleerbaar als je het toelaat.

Enkele argumenten van Thomas en mij waren:
- Als je een zelfgemaakt filmpje op internet plaatst kunnen andere deze ongevraagd kopiëren
- Het is moeilijk te controleren wat nu commercieel is en wat niet.
- Wanneer iemand jouw artikel vertaald in bijvoorbeeld het Russisch heb je geen idee of jouw woorden zijn verdraaid en dit kan schadelijk zijn voor je image.

Inhoudelijk ging het vooral mis bij de definitie van 'niet-commercieel gebruik'. Wanneer is iets commercieel of heeft het potentie om commercieel te worden, en waar moeten we deze lijn dan trekken?
Ik denk dat deze format ervoor heeft gezorgd dat het debat nogal rommelig was en niet iedereen even lang aan het woord kon zijn. Er was namelijk geen tijdsindicatie en verder geen rolverdeling waardoor je niet in de gaten had hoe snel de tijd ging. Ook praatte de voorstanders van de stelling op een gegeven moment in cirkels waardoor ik het erg lastig vond om te reageren. Ook heeft de voorzitter hier niet echt op ingegrepen waardoor ik het lastig vond om nieuwe argumenten aan te dragen. Ik had namelijk nog nieuwe argumenten willen poneren, maar gezien ik hier de ruimte niet voor kon vinden is dit niet gelukt. Ook nadat de voorzitter een keer had ingegrepen en het debat een andere kant op wilde sturen, begon de partij voor weer met oude argumenten en reageerde niet echt op de wensen van de voorzitter om het debat een andere richting op te laten gaan. 
Daarnaast hadden we bij het geven van onze argumenten niet rekening gehouden met het vermelden van bronnen. Hierdoor waren de argumenten niet echt overtuigend, maar sinds geen van beide partijen bronnen gaven was dit onderling wel in evenwicht. 
Concluderend vind ik dat we een goede voorbereiding hadden, maar dat het er niet helemaal uitkwam omdat we het onszelf te moeilijk hebben gemaakt met het gekozen format. Als we duidelijke tijdslimieten hadden gezet dan was het voor ons allemaal wat overzichtelijker geweest. Maar gezien we de eerste groep waren en ikzelf geen ervaring heb met het voeren van debatten vond ik het wel redelijk goed gaan. We hadden wel sterke argumenten, maar hadden deze alleen niet voldoende onderbouwt in het debat zelf.